Het Onderdirectoraat Veeteelt c.q. het Ministerie van LVV heeft reeds in verschillende gelegenheden gewezen op de situatie in de kippensector.
De belangrijkste reden voor de instorting van de productie in de pluimveesector is de daling van de vraag naar kip en eieren. Een daling die dan weer zijn oorsprong vindt in de hoge prijzen die voor kipprodukten, na de liberalisatie en de verwijzing van de sector naar de vrije markt op het eind van 1993, moet worden betaald. Zo stegen de prijzen van kip van gemiddeld Sf 20 per kg in 1991 naar gemiddeld Sf 72,50 in 1993 en meer danSf 4000,- vandaag de dag. Waar voor een ei in 1992 nog iets meer dan Sf 1,50 diende te worden betaald, betaalt men nu meer dan Sf 150,-, en dit in een situatie van dalende koopkracht.
De prijsstijgingen worden veroorzaakt en
lopen gelijk met de stijging van de produktiekosten van de kippenbedrijven,
waarbij vooral de prijzen van voer, kuikens en medicamenten de kostprijs van kip
en eieren sterk verhoogden. Tegelijkertijd creeerden deze hoge prijzen van
inputs een financieringsprobleem.
De daling van de productie van vooral kip
heeft echter ook nog een andere oorsprong. Met de verwijzing van de kippensector
naar de vrije markt en het in eerste instantie wegvallen van de grensbescherming
middels importheffingen, werd de import van kip concurrentieel met de lokale
kip. De import heeft thans daarmee een belangrijk marktaandeel verworven (75%).
De invoer van kip betreft bijna uitsluitend kipdelen, meer specifiek kippebouten, afkomstig van de Verenigde Staten van Amerika. Deze kippebouten zijn duidelijk goedkoper dan de lokale kip.
De eerste reden hiervan is dat borstvlees in Amerika geprefereerd wordt dan de overige vleesdelen van de kip. Borstvlees is dan veel duurder en de overschotten die ontstaan van de goedkopere bouten en de andere delen worden geexporteerd naar landen zoals Suriname.Hierbij dient te worden opgemerkt dat de import van kip geen voor de volksgezondheid gevaarlijke produkten betreft. Elke import van vlees wordt door keurmeesters in dienst van de Veterinaire Inspectie van het Ministerie van LVV gekeurd bij aankomst in Suriname. Een gevaar schuilt echter in het feit dat de kipdelen enkel inde grote verpakkingen in bevroren toestand door de importeurs worden verhandeld en op het niveau van de detailhandel in vaak onhygienische omstandigheden worden ontvroren en herverpakt in voor de consument beter betaalbare hoeveelheden.
Een tweede reden voor de goedkoper ingevoerde kip betreft het feit dat kip geproduceerd in Suriname nog steeds sterk importafhankelijk is. Aangezien geimporteerd voer veruit de belangrijkste kostenpost vormt in de productie van kip en eieren zal de deviezencomponent dan ook navenant zijn.
De sterke importafhankelijkheid maakt de
kipprodukten gevoelig voor de koersontwikkelingen op de vrije markt, met een
hollende kosteninflatie als gevolg.
Het is altijd een belangrijk beleidsuitgangspunt van het Ministerie geweest om de importafhankelijkheid van kip te verminderen. De vervanging van ingevoerde grondstoffen door lokaal geproduceerde grondstoffen heeft de aandacht: reeds jaren wordt mais in het voer voor een deel vervangen door breukrijst. Het zal vooral van de verdere ontwikkeling in de rijstteelt afhangen in welke mate deze vervanging verder kan gaan. Breukrijst wordt immers ook nog voor andere doeleinden gebruikt.
Verder staat het onderzoek met betrekking tot productie van alternatieve grondstoffen op grote schaal nog evenwel in zijn kinderschoenen.
Het vervangen van lokale productie door import heeft niet alleen invloed op de kippensector zelf met het verdwijnen van arbeidsplaatsen en toegevoegde waarde in de productie, maar ook op de hele keten van toelevering (veevoerfabrikanten, broederijen), afname (slachterijen, distributieketens), transport en gebruik van afvalprodukten (kippemest in de groententeelt, kipafval en afval van broederijen in de varkensteelt).
Daartegenover staat de import van afgewerkt produkt, met weinig of geen invloed op tewerkstelling, geen uitstraling op andere sectoren en de winst geconcentreerd in de handen van enkele personen. De prijs voor de consument ligt iets lager, maar de economie geeft, zeker op korte termijn, meer deviezen uit dan bij de lokale productie.
Het is dan ook de vraag of een vorm van extra bescherming, zij het dan tijdelijk, zich niet opdringt om de sector tenminste de kans te geven zich aan te passen aan de veranderende realiteit. Een effectieve bescherming van de lokale productie wordt voorgestaan gedurende een afgebakende periode, maar voldoende lange periode; een periode waarin de sector de negatieve gevolgen van de liberalisatie en het openstellen van de economie kan opvangen.
Een manier is het vaststellen van tarieven op de import van vlees op een zodanige niveau dat lokale productie enerzijds niet wordt ontmoedigd, maar anderzijds een maximumprijs vastlegt die woekerwinsten in de productie onmogelijk maken. Het is duidelijk dat een heffing van 10% op kip, waarbij grondstoffen voor 5% worden belast, een onvoldoende bescherming van de productie inhouden, zeker wanneer het om concurrentie met de goedkope kipdelen gaat. Door het lage basistarief en het belasten van grondstoffen verandert er na de unificatie van de koers niet veel aan de concurrentiepositie van lokale kip. Voorgesteld wordt daarom om het importtarief minstens op 20% vast te stellen.
Ontmoediging van de import wil echter niet zeggen dat er daardoor meer kip op de pan komt. Integendeel. Willen we de productie opnieuw aanwakkeren dan zal door iedereen in de sector, en dan vooral de particulieren, moeten worden gewerkt aan kostenbeperkende en produktieverhogende maatregelen, een goede coordinatie van productie- en afzetbeleid en het terugdringen van de importafhankelijkheid van de sector. Vooral succes op dit laatste zal bepalen o f deze sector op lange termijn nog ontwikkelingskansen biedt in Suriname.