![]() |
KENNEDYSTICHTING School - internaat voor |
Direktie
: Verlengde Gemenelandsweg 18 d. Tel 410555 |
|
Doelstelling/De school/Internaat/Opvoeding en Onderwijs/Financiële Zorgen/Nalini |
|||
De moeilijkheid is steeds geweest dat het buitengewoon onderwijs nooit duidelijk omlijnd werd, dat er geen wet op het buitengewoon onderwijs kwam, en anno 1996 er nog niet is, en dus ook geen subsidie regeling. In Suriname bleek in de jaren zestig onder B.O. verstaan te worden onderwijs aan kinderen met een verstandelijke achterstand. Enkel voor deze categorie kinderen opende de Overheid B.O. scholen. Kinderen met een lichamelijke-, visuele- of auditieve handicap kunnen alleen in de particuliere sector terecht. Elk van die particuliere instellingen moet nog steeds individueel over subsidie onderhandelen met het Ministerie van Onderwijs.
De laatste 20 jaar diende de Kennedystichting haar begroting in bij het Ministerie en vroeg dan een werkvoorschot. Na het dienstjaar kon de aanvulling van de exploitatiekosten aangevraagd worden waarbij het financieel jaarverslag overlegd diende te worden.De uitkeringen gebeurden rechtstreeks aan de Kennedystichting (het MINOV noteert steeds: Stichting Kennedyschool). Ook bij deze manier van handelen kon de achterstand tot meer dan een jaar oplopen. Het gebeurde dat het voorschot met een vertraging van meer dan een jaar ontvangen werd en voor de afrekening wel twee jaar gewacht moest worden.Hoe groot de achterstand vandaag de dag is kan nagetrokken worden.
Het ministerie van Sociale Zaken verleende wel een subsidie aan het instituut omdat het een subsidie betrof voor interne kinderen.En alle kinderen waren intern. De eerste subsidie die het Doofstommeninstituut St. Theresia van het ministerie van Sociale Zaken ontving dateert van 1948. Voor elk kind kreeg men Sf 125,-.
Op 18 September 1951 schrijft de Directeur van Sociale Zaken dat voor 1950 voor het R.K. Doofstommen Instituut op basis van f 125,- per kind, per jaar een bedrag van f 2550,- was uitgetrokken dat er voor f2.807,50 gedeclareerd werd en er dus een overschrijding was van f 307,50. Hij had ook ontdekt dat er voor 1951 over januari t/m September 1951 het instituut reeds 2.437,50 ontving. Daar hij voor het laatste kwartaal een declaratie van f 800 verwachtte zou de toegedachte begrotingsgrens met f 737,50 overschreden worden. Hij begrijpt dat die overschrijding toe te schrijven is aan de toename van het aantal pupillen,maar gezien 's Lands financiële positie niet op deze wijze kan voortgegaan worden.Hij zal voor de overschrjding een machtiging aan de betrokken instantie vragen met die verstande dat de directie zich het komend jaar houdt aan het begrotingsbedrag ad f2.500 ,dus voor 20 kinderen.Hij wijst er op dat deze subsidie beschouwd moet worden als een gedeeltelijke bijdrage in de onkosten van het instituut en dat het niet in de bedoeling ligt het algehele onderhoud van de op te nemen kinderen te bekostigen.
Dit laatste is steeds het geval gebleven. F125,- per kind per jaar bleef zo tot 1963. Wel wordt het aantal kinderen waarvoor subsidie verleend wordt verhoogd: in 1952 voor 30, in 1955 voor 40 en in 1960 voor 43 kinderen. Ondertussen is doorgevoerd dat er voor kinderen uit het buitenland van niet Surinaamse ouders geen subsidie verstrekt wordt. In 1963 wordt de subsidie vastgesteld op f 180,- per kind voor ten hoogste 48 kinderen en in 1969 voor 89 kinderen. In 1976 werd het tot 1987 Sf 0,65 per dag per kind en dan alleen voor de dagen dat het op ht internaat aanwezig was.Met de devaluatie kwam er een lichte nominate verhoging, maar die helemaal niet meer met de werkelijkheid overeenkwam. Ook kwamen er steeds meer restricties; kinderen van ouders boven de belasting-grens kwamen niet meer in aanmerking voor subsidies.In 1996 krijgen de directies van de internaten en kindertehuizen Sf 32,- per dag per kind voor zover het kinderen betreft waarvan het inkomen der ouders beneden de Sf 20.000 is.
Een aantal minvermogende ouders kreeg rechtstreeks fnianciële bijstand van het ministerie van Sociale Zaken als steun bij het betalen van de internaatskosten. Daar veel ouders dit geld nooit afdroegen is er in 1986 bepaald dat deze steun in het vervolg door de directie van de instelling geïnd kon worden. Gedurende twee jaar is door het ministerie van Sociale Zaken brandstofsubsidie en over 1995 en 1996 vangnet-subsidie verstrekt.
De zusters moeten de eerste 20 jaar veel steun gevraagd hebben in Nederland en dan voornamelijk bij hun eigen congregatie om de nodige gebouwen op te zetten, inventaris en apparatuur aan te schaffen en de exploitatiekosten te helpen dekken. Op den duur zagen zij geen uitkomst meer om de steeds maar stijgende kosten te financieren en riepen daarom in 1964 de hulp in van de Surinaamse gemeenschap om te komen tot een stichting die de exploitatie van het steeds maar groeiende instituut op zich wilde nemen.Al vlug moest in 1966 het pas aangetreden bestuur fondsen zoeken voor uitbreiding van het instituut om al de kinderen met een rubella-syndroom geboren in 1962 op te vangen. Er werden projectdossiers opgesteld. Er kwamen giften van scholen, van de Militaire Kapel, van de TRIS, en natuurlijk van de zusters van Oudenbosch, de Nederlandse Antillen, verschillende Lions clubs, de Stichting Paasweldadigheidszegels, de Round Tabel, verschillende bedrijven en anderen.Veelal zijn het giften voor de aanschaf van gehoorapparaten, Het Postzegelfonds hielp in 1966 met Sf 15.000, Kinderpostzegels met Sf 39.000 en de Nederlandse regering met Sf 165.000 voor de uitbreiding van school en internaat. Nadat één bouw klaar kwam moest er al weer verbouwd en bijgebouwd worden omdat het aantal kinderen maar bleef stijgen.Voor al de nieuwe leerlingen en klassen moesten er steeds weer individuele en klassikale gehoorapparaten aangeschaft worden. In de notulen der bestuursvergaderingen uit die periode is er steeds sprake van grote aantallen kinderen die geen apparaat hebben, van klassen die ingericht moeten worden en van verzoeken om meer dan 50 nieuwe apparaten. Het zoeken naar financiële middelen voor de uitbreiding van school en internaat ging door tot 1990. Er kwam een bouwcommissie om de plannen samen met de architect uit te werken en projecten op te stellen en op de goede uitvoering van het werk toe te zien. Om te voorzien in de inventaris, vervoemiddelen, uitrusting van de klassen voor beroepsonderwijs, aanvulling of vernieuwing van apparatuur is er steeds om hulp van buiten gevraagd. De Kennedystichting mocht zich in de loop der jaren gelukkig prijzen dat ze die steun ook altijd kreeg van de Surinaamse gemeenschap of van organisaties uit het buitenland. Er moet wel bij vermeld worden dat het bestuur van de Kennedystichting elk jaar haar donateurs en vrienden het financieel verslag over de voorbije periode toezond en stond deze openheid hoogst waarschijnlijk borg voor de regelmatige steun.